De onvergetelijke patiënt - Schrijfwedstrijd
Worsteling in twee werelden


Laten we hem Peter noemen. Hij kwam bij me omdat hij zich niet begrepen voelde door de psychiatrie en niet de zorg kreeg die hij wilde.
Hij begon te praten en ik luisterde. In zijn verhalen nam hij me mee op een wonderlijke reis waarin hij een speciale missie had. Ik kon hem niet volgen in zijn wereld waarin voortdurende wonderlijke dingen gebeurden die hem soms ook angst aanjoegen. Soms raakten onze werelden elkaar en kon ik concreet iets voor hem doen. Vaker was het zo dat de procedures van de geestelijke gezondheidszorg gewoon niet aansloten bij wat hij wilde. De artsen hadden vele diagnoses gesteld en allemaal waren ze het er over eens dat medicatie de beste optie was.
Peter was echter doodsbang dat hij zijn spiritualiteit daardoor zou kwijtraken, zijn wonderlijke wereld. Want hoewel de gebeurtenissen hem soms uitputten en bang maakten, zijn eigen wereld was de enige waarin hij echt leefde. In onze wereld was hij eenzaam, bang en kreeg hij de simpelste dingen niet voor elkaar. In zijn eigen wereld was hij een soort van profeet met een missie.
Hij deed mij nadenken over de vraag wat geestesziekte is. Wie bepaalt wat ‘normaal’ is en wat niet? Natuurlijk, de wetenschap plaatste Peter duidelijk aan de ‘zieke’ kant van de streep, maar ik kon zijn visie ook wel begrijpen. Hij vroeg om bewijs dat wat hij meemaakte niet echt was, maar wilde natuurlijk geen enkele vorm van bewijs aannemen.
Peter was een prototype ‘lastige patiënt’. Zeer intelligent en welbespraakt, met een zeer eigen mening. Zijn dossier was duimendik, met wel acht verschillende diagnoses. Dat diagnosticeren geen exacte wetenschap is, was een argument wat hem maar ten dele overtuigde.
Hij worstelde met zichzelf in beide werelden waarin hij leefde en er werd ook vaak misbruik van zijn goedheid gemaakt. Mijn pogingen om hem te waarschuwen voor sommige mensen hadden soms succes, maar lang niet altijd. Ik geef toe, hij dreef me soms tot wanhoop.
De reis met Peter was lang en vermoeiend maar heeft mij veel geleerd. Ik zag, van een afstand, een wereld die ik niet kende. Ik werd gedwongen na te denken over fundamentele vragen en leerde de mens achter de ziekte nog helderder te zien.
Peter is nog bezig met zijn reis door beide werelden, af en toe kruisen onze wegen elkaar en daar ben ik blij om.
Door Rianne Euwe
© Psy 26-08-09
Obstakels
De sociale dienst vermoedde een alcoholprobleem, en had mijnheer X (vrijwillig) naar mij verwezen. Inderdaad trilde en zweette hij hevig. Betaald werk leek voor hem vooralsnog niet haalbaar, maar misschien kon ik hem helpen zijn leven leefbaarder te maken.
Maar zo simpel was dat niet. Hij was niet onwillig, integendeel, hij was een uiterst vriendelijke man. Echter, de meest basale keuzes vormden voor hem een onneembaar obstakel: of de deur dicht moest, of hij zijn jas uit wilde trekken, of iets wilde drinken, hij wist het oprecht niet.
Wat hij bij mij kwam doen, wist hij dus ook niet. Na uitleg, dat ik mensen hielp om activiteiten te zoeken die bij hen pasten, kon hij ook niet aangeven of hij dat wilde. Misschien was het wel een goed idee, maar wat en hoe kon hij met geen mogelijkheid aangeven.
Toch bleef hij terugkomen, steeds maar weer. Ik had geen idee waar het heen ging, met activiteiten kwamen we geen stap verder. Het leek in elk geval belangrijk voor hem om te kunnen praten over wat hem zoal bezighield, dus deden we dat.
Gaandeweg kreeg ik een beeld van zijn leven. Hij woonde geïsoleerd in een stoel in zijn vervuilde flat, en bracht zijn tijd door met dwangmatig lezen en tv kijken. Zijn leven vond hij zinloos, soms hoefde het van hem niet meer. Na donker sloop hij naar buiten om snel drank te halen. Hij was doodsbang dat iemand hem zou aanspreken, angstig dat hij verkeerde dingen zou zeggen waarover hij dan weken kon gaan piekeren. Het enige lichtpunt was een redelijk contact met zijn familie.
In totaal heb ik X ongeveer zes jaar begeleid. Veranderingen gingen in heel kleine stapjes, met af en toe een grote sprong, zoals toen hij van de ene op de andere dag besloot te stoppen met drinken (waar hij zich verrassend goed aan hield). Na onderzoek bleek hij een autistiforme stoornis te hebben.
Hij ervoer deze verklaring voor zijn ‘anders-zijn’ als een opluchting. Met medicatie, therapie en sociale vaardigheidstraining knapte hij geweldig op. Trots meldde hij, het lachebekje van de therapiegroep te zijn. Uiteindelijk ging hij vrijwilligerswerk doen. Weer was hij trots, nu omdat hij een bijdrage aan de maatschappij leverde. Tenslotte had hij mij niet meer nodig. Ten afscheid zei hij, dat hij nu gelukkig was, en er geen behoefte meer aan had, een einde aan zijn leven te maken.
Door Saskia Kipp
© Psy 19-08-09
Straatvrees en een tros bananen
‘Ik weet niet wat ik moet doen’. Ik zie hem daar nog staan in de Albert Heijn. Met een tros bananen naast de weegschaal. Aan zijn gezichtsuitdrukking te zien had ik hem op dat moment net zo goed kunnen vragen of hij een hersenoperatie voor me wilde uitvoeren.
Ik ben bezig met exposure-therapie bij een patiënt met straatvrees. Een man van ongeveer 55 jaar. Al sinds zijn vroege volwassenheid is hij angstig en somber. Hij woont nog bij zijn ouders. Zij regelen alles voor hem. Hij komt alleen af en toe bij de buurtwinkel in de straat voor een pakje shag en wat blikjes bier. Hij heeft geen vrienden. Over liefdesrelaties hebben we het nog niet gehad, maar ik kan zijn antwoord op die vraag wel raden.
Hij heeft al meerdere behandelingen achter de rug. Tijdens eerdere groepsbehandelingen zocht hij toenadering tot zijn groepsgenoten. In een poging tot het sluiten van vriendschappen vroeg hij of ze misschien zin hadden om een keer wat te gaan doen buiten therapie om.
Dat wilden ze niet.
Mijn patiënt was danig teleurgesteld, ze konden het toch goed met elkaar vinden? Dus bleef hij weer in huis, weg van een wereld die hij niet snapte en die hem onzeker en angstig maakte.
Als zijn ouders er niet meer zouden zijn, zou hij niet weten wat hij zou moeten, zo vertelde hij mij. Misschien zou hij ze dan wel achterna gaan.
Zover wilde hij het niet laten komen. Dus meldde hij zich bij mij, om weer een poging te ondernemen om terug te keren in (of toe te treden tot?) de maatschappij. En wat de tros bananen en de weegschaal pijnlijk duidelijk maakten, was dat het een lange en moeilijke weg zou worden. Te moeilijk, zoals later zou blijken. Na een paar sessies meldde hij zich meerdere keren af en uiteindelijk heb ik zijn dossier gesloten.
Ik heb in de tussentijd al vele andere patiënten gesproken. Maar als ik mij op de fruitafdeling van de supermarkt bevind en iets afweeg op de weegschaal, dwalen mijn gedachten soms af naar deze patiënt en vraag ik me af hoe het nu met hem zal gaan.
Door Mariëtte van Schip
© Psy 12-08-2009
Franske

Een keuze maken uit de veelheid van indrukken die ik in de loop der jaren heb opgedaan aan de colonne cliënten die ik korte of lange tijd heb mogen ontmoeten, is moeilijk. Wat is het selectiecriterium? Ga ik voor bijzonder, bizar of juist voor het diffuse bijna onopgemerkte edele van een karakter dat zich slechts na zorgvuldige waarneming laat zien.
De paradijsvogels, freaks en te grote ego's verdringen zich aan de poorten van mijn herinnering en maken onderling zo'n stampij dat ze geen van allen in aanmerking komen voor de hoofdprijs. Gek genoeg komt veel meer dan een uitbundige markante, zichzelf zeer actief op de kaart zettende en overaanwezige cliënt een man in mijn herinnering naar boven die al deze kwalificaties ontbeert.
Ik heb eigenlijk nauwelijks herinneringen aan hem. Het is al meer dan de helft van mijn carrière in de verslavingszorg geleden dat ik drie weken intensief met hem mocht samenwerken. Ik herinner mij hem als het Belgische slagertje. Was het de Vlaamse tongval die hem mij voor zich deed innemen? Was het zijn zeer bescheiden karakter, zijn niet gemaakt maar authentiek verdriet om de ballingschap waarin hij leefde?
Vanuit onze biografische gesprekken komen niet meer dan flarden naar boven. Zijn ongelukkige jeugd onder de wrede tirannie van zijn lompe vader die het kwellen van de beesten die hij moest slachten afwisselde met het sarren van de vrouw die hem twee2 kinderen schonk. Mijn verbazing dat Frans, zoals de hoofdpersoon van dit verhaal heet, waarschijnlijk om toch nog enige waardering van zijn oude heer te bekomen, voor datzelfde vak koos, terwijl hij het verafschuwde. Zijn onmetelijke verdriet om het verraad van zijn vrouw, die hem, na eerst met overgave de middenstandersvrouw te hebben gespeeld, verliet voor een betere partij, omdat zij het beneden haar stand vond om een slagersvrouw te zijn. Waarna zij er alles aan deed om hem financieel kapot te maken en te vervreemden van zijn oogappel, een meisje van toen vijf jaar. Het verdriet was te groot voor België, Frans sleet zijn in jenever gedrenkte jaren in een dorp in de Achterhoek.
Jaren later zag ik hem toevallig lopen. Ik herkende hem aan zijn silhouet en aan zijn vermoeide gang. Ik heb hem niet aangesproken. Ik was niet in de stemming en wilde zijn rust en privacy niet verstoren, ook al wist ik dat de sympathie wederzijds was. De laatste jaren frequenteer ik het dorp omdat een vriend er nu woont. Navraag naar Frans bracht me niet meer op zijn spoor. Ik zal het nu echt moeten doen met mijn herinnering aan deze lieve maar doodongelukkige man.
Door Jos van Schalkwijk
© Psy 05-08-2009
Kleine grote man
Onooglijk was hij, mager, angstig, klaaglijk. Mijnheer K. was er al vele jaren van overtuigd dat hij geen maag en geen darmen meer had en durfde nooit te eten.
Hij was bang dat het eten in zijn buikholte terecht kwam en er nooit meer uit zou kunnen. Echt angstig werd hij als hij toch eten moest. Koffie drinken ging wel goed, hij hield van koffie. Een biertje in de kantine lukte ook nog wel. Het probleem van de maag speelde dan niet. En je moest niet aankomen met het verhaal dat dat niet klopte. ‘Ach, ga toch weg’, zei hij dan, ‘wat weet jij daar nou van’.
Op de afdeling waar hij woonde had hij zijn eigen verborgen plekjes, en als hij de kans zag glipte hij naar zijn kamer waar niemand hem zag. Mijnheer K. probeerde iedereen te ontlopen, op de afdeling en op het werk. Schijnbaar had hij met niemand contact. Hij kreeg ook nauwelijks bezoek, alleen zijn vrouw kwam nog met enige regelmaat op zondagen. Zijn dochters zag hij één keer per jaar op zijn verjaardag. Ze moesten hem altijd zoeken. Hij maakte het ze niet gemakkelijk met zijn gejammer, dat in het bijzijn van zijn familie nog veel heviger was dan op de afdeling, waar niemand zich er nog iets van aantrok.
Hij moest van de psychiater naar de arbeidstherapie, waar hij drie vogelkooitjes per dag maakte. De werkleider mocht hem wel -al was het meer medelijden dan sympathie- en liet hem begaan, snapte het wel als hij te laat kwam. Op de arbeidstherapie vond hij ook het touw waarmee hij zich ophing op een zaterdagmorgen. Ze misten hem bij het eten en gingen hem zoeken op zijn kamer. Zijn zelfmoord kwam onverwacht en schokte de afdeling. De familie was verdrietig, maar niet verrast.
Namens de afdeling gingen twee broeders naar de begrafenis, omdat er anders helemaal niemand zou komen. Op de begraafplaats was het druk. Meer dan honderdvijftig mensen bleken uiteindelijk aanwezig voor een laatste afscheid. Ze vertelden veel verhalen over de oorlog, hoe hij in het verzet had gezeten, ongekend moedig was geweest en heel veel joden en onderduikers had geholpen. De onooglijke, angstige mijnheer K. was een verzetsheld!
Op de afdeling hadden ze niets geweten van zijn oorlogsverleden, de andere aanwezigen wisten niets van zijn psychiatrische carrière. Wie zou hem hierna nog ooit kunnen vergeten, die kleine grote man?
Door Bavo Hopman
©Psy, 29-07-09
Geen gezicht, geen naam
Bij het zien van het thema ‘De onvergetelijke patiënt’, moet ik direct denken aan een medepatiënt, waar ik tot op de dag van vandaag geen gezicht bij heb. Toch heeft hij een onuitwisbare indruk op me gemaakt.
Hij was net als ik opgenomen. Ik zat in het rookhol, ’s morgens voor dag en dauw, voor mij gebruikelijk. Ik had hem met gebogen rug weg zien lopen, net opgenomen. Ik had hem niet terug zien komen. Iets later hoorde ik vanuit zijn kamer vreemde geluiden. Alsof hij hulp nodig had. Ik waarschuwde de nachtdienst. Bij zijn kamer gekomen, was het inmiddels stil. Toch ging de nachtdienst even binnen kijken.
Daarna leek het alsof ik in een film terechtgekomen was. Vanuit het rookhol zag en hoorde ik het gebeuren; groot alarm, verpleegkundigen kwamen aangesneld, 112 werd gebeld, ambulance erbij.
Ik zat in het rookhol, verstijfd. Mij realiserend dat het hier om een zelfmoordpoging moest gaan. Snelle, flitsende gedachten; wát als ik er niet was geweest? Ik had instinctief gehandeld, ik had niet anders gekund. Ik had hem zijn leven gered, maar was hij daar wel blij mee? Ik voelde de tweestrijd, het dilemma, van hem, van mezelf ook; zó voelt dat dus als iemand een zelfmoordpoging doet en je aan de ‘andere’ kant van die scheidslijn staat, handelend, vanuit menselijkheid, instinctief.
Hij overleefde, werd overgeplaatst naar een andere instelling in een andere stad. Lange tijd wist ik niets van hem, geen naam, ook niet of hij blij was dat hij nog leefde. Toen ik via via vernam dat hij blij was dat hij nog leefde, raakte me dat. Blijheid, ontroering. Toen pas het besef dat als ik er niet was geweest, die ochtend, hij niet meer had kunnen ervaren dat hij blij was dat hij nog leefde.
Ik ken zijn gezicht nog steeds niet. Hij waarschijnlijk het mijne ook niet, zeker niet mijn naam. Zijn wanhoopsdaad heeft een enorme impact op me gehad, de manier waarop, de inzichten op dat moment, de bijzondere omstandigheden op een heel vroege morgen.
Hij is mysterieus, tegelijkertijd onvergetelijk. Misschien dat we elkaar ooit nog ontmoeten, kennismaken met elkaar. Dat zal zeker ook bijzonder zijn, ik zijn naam wetend, ik hem het leven gered hebbend. Ik hoop hem niet te ontmoeten in het psychiatrisch circuit. Juist hem gun ik dat het hem goed gaat, in zijn hernieuwde leven!
Door Evita
©Psy, 22-07-09
Ruth. Dertig jaar jong en dertig jaar oud
Een leuke jonge vrouw om te zien, qua uiterlijk. Helaas blowde zij thuis de hele dag door, kon geen invulling geven aan haar dag. Seksueel misbruik en door haar moeder aangeleerde ongeremdheid. Altijd op zoek bij de verkeerde naar die zo noodzakelijke veiligheid.
Toen ze bij ons kwam was ze op alle fronten verwaarloosd, zwaar depressief en met een ‘zwaar’ etiket. Een muur om haar heen, nog dikker en hoger dan die van Berlijn en daarachter de opeenstapeling van narigheden. Psychiatrisch patiënte.
Vijf weken lang alle waren alle zwakke plekken aangepakt om door de muur heen te komen. Nieuwe medicatie. Groepstherapeutische gesprekken. Ze werd elke dag een stukje assertiever, vooral tegen de medewerkers. Grenzen aangeven. Boos zijn om reële dingen. Strak begrenzen van haar negatieve houding. Ik bracht onzinnige ideeën naar voren waar ze dan om moest lachen. Ze werd weer wat creatiever.
Af en toe ging ze een middag naar huis. Alleen, geen familie, weinig vriendinnen, geen vrienden. De ‘vrienden’ uit het gebruikerscircuit meed ze als de pest.
Heel alleen en heel hard werken aan een onzekere toekomst.
Het ging wel steeds beter met Ruth, maar de dag voordat zij naar huis zou gaan, kwam ze huilend vragen om een gesprek. Ze durfde niet naar huis. De kliniek was een veilig toevluchtsoord geweest. Heel begrijpelijk, maar ze had alle fases doorlopen en het werd tijd om het geleerde zelf in praktijk te gaan brengen. Bange ogen en een gebogen hoofd. Grote tranen die op haar kleren drupten.
Ik ging voor haar zitten en voor ik het wist sloeg ze twee armen om mijn hals en huilde hoorbaar met haar hoofd op mijn schouder gedurende enige minuten. Toen keek ze me aan en zei: ’Ik weet dat lichamelijk contact niet mag, maar het feit dat je je niet losgemaakt hebt, betekent voor mij dat je mij even belangrijker vond dan de regels. Eigenlijk was dit wat ik nodig had om naar huis te kunnen gaan. Eigenlijk had ik dit jaren geleden moeten doen, moeten kunnen doen, troost zoeken en vinden bij iemand die niets van mij wil. Ik zal je nooit vergeten.’
Ik ben haar en haar wilskracht ook nooit vergeten. Ik kom haar nog wel eens tegen op de fiets en dan zwaait ze en werpt ze me ondeugend een kushandje toe. Dan denk ik, stiekem, dat voor sommige mensen de regels niet goed zijn, of juist wel!
Door Gavi Mensch.
©Psy, 15-07-09




