Zomerfeuilleton 2007
Herman Brusselmans
Nooit op reis
Mijn ouders gingen nooit op reis. M’n vader dichtte hieromtrent: ‘Liever dan op reis/ Eet ik thuis m’n appelspijs.’ Nu hij toch bezig was dichtte hij eveneens: ‘Eenmaal in het buitenland/ Maak ik me meteen van kant’, waarna hij als derde gedicht eraan toevoegde: ‘Het is maar in m’n eigen biotoop/ Dat ik steeds op wolkjes loop’. Bovendien was hij een veehandelaar.
Nu bestaat de veehandelarij er ondermeer in dat je thuis, in de stallen of in de weiden die bij het erf horen, levende runderen in stock hebt. Nu mag je zeggen van runderen wat je wil, maar als je ze niet voedert gaan ze dood. Je kan dus onmogelijk zeggen: ik laat m’n runderen achter terwijl ik een week of twee naar Spanje ga en als ik terugkom zijn ze nog altijd in bloedvorm. Vergeet het. Als je terugkomt van Spanje vind je slechts kadavers. Kortom, een veehandelaar moet dag en nacht stand by blijven, niet alleen om de dieren te voederen, maar ook om de handen uit de mouwen te steken als een koe moet kalven, als een stier een testikelbreuk heeft opgelopen (zo snel mogelijk de dierenarts bellen), of als een os over de schrikdraad is gesprongen en op z’n vrije vlucht vrouwen en kinderen de stuipen op het lijf jaagt (hem zo snel mogelijk proberen vangen en terugbrengen naar het erf).
In die tijd was het zo dat echtgenotes hun mannen bijstonden en hielpen waar het maar kon. Kortom, m’n moeder was niet het type dat zei tegen haar man: ‘Gust, blijf jij op het erf, ik ga met de kinderen een week of twee naar Spanje.’ M’n vader heet Gust, vandaar. Nee, m’n moeder bleef net zo goed thuis. En dus de kinderen ook. Wij brachten de vakantie door met het assisteren van m’n vader. Zo moesten we ondermeer hooien. In de winter diende dat hooi dan als voedsel voor de beesten. Ik was een erg goeie hooier. Ik kon tien kilo hooi per uur hooien. En dat al op m’n elfde! Maar Spanje, of andere vakantieoorden, heb ik in m’n jeugd nooit gezien. Niet dat ik daar iets op tegen had. Ik had ‘ns een reportage over Spanje bekeken op de tv en ik vond dat hele landje zwaar overroepen. Net als alle andere landen, behalve België. Leve ons vaderland!
Oostenrijk
Omdat m’n ouders nooit op reis gingen ging ik ook niet. Doch in 1969 bood de kans zich aan. M’n school, het Heilig Hart Instituut, voerde een noviteit in: de zesdeklassers konden zich inschrijven om, aan het eind van het schooljaar, een busreis mee te maken naar Oostenrijk. Het kostte 1400 frank. Ik vroeg aan m’n ouders: ‘Zou ik meegaan of niet?’ ‘Ga maar mee, m’n jongen,’ zei m’n moeder, ‘zo zie je nog ‘ns iets van de wereld.’ M’n vader dichtte: ‘In dat verre Oostenrijk/ Krijg je alleen gezeik’.
Ik dubde, weifelde en vroeg me af wat ik moest doen. Op de koop toe was 1400 frank veel geld in die tijd. De veehandel van m’n ouders kende ups en downs, en tijdens de downs was er soms geen geld om nieuwe gordijnen te kopen. Nog goed dat we oude gordijnen hadden die in een prima conditie verkeerden.
Op den duur hakte ik de knoop toe. Ik zou meegaan naar Oostenrijk. M’n moeder schraapte 1400 frank bij elkaar en op school liet ik m’n naam noteren op de lijst van leerlingen die met de bus naar Oostenrijk zouden trekken. Dat zou gebeuren op 1 juli en op 9 juli zouden we terugkeren. Negen dagen van huis, zou ik dat uithouden? Hoe dichter de vertrekdatum kwam, hoe meer ik m’n twijfels had. Veronderstel dat we in een lawine terechtkwamen.
Je mag niet vergeten dat er in Oostenrijk veel lawines zijn, ook in de zomer. Of veronderstel dat ik, tijdens het zwemmen in een verkoelend Oostenrijks meertje, zou verdrinken. Sterker nog, ik kon niet eens zwemmen! Alle andere jongens keken enorm uit naar 1 juli, maar ik eerlijkgezegd niet. Thuis was het toch ook fijn? En thuis kon ik hooien, een van m’n hobby’s. En ik zou m’n hond Dixie tien dagen moeten missen. En als ik op de bus diarree kreeg? In die tijd had je op bussen nog geen toiletten. Die kwamen er pas in de jaren zeventig.
Op 30 juni kon ik ’s nachts niet slapen. Ik ging naar de kamer van m’n ouders en vroeg: ‘Mag ik asjeblief thuisblijven?’ Dat mocht. Die 1400 frank waren we wel kwijt en van nieuwe gordijnen was geen sprake. Maar ik moest niet naar Oostenrijk. Wat was ik blij.
Huwelijksreis 1
Ik was niet gewend om te reizen omdat m’n ouders, en hun kinderen, altijd waren thuisgebleven. Met schoolreizen naar het buitenland ging ik ook niet mee. En zo vergleed de tijd en was ik altijd binnen de grenzen van België gebleven. Ondertussen groeide ik op en kwam, naast vele andere dingen, de liefde in m’n leven.
Ik leerde een leuk meisje kende, dat Gerda heette, en het duurde niet zo lang of we verloofden ons. Gerda was het verzorgende type dat alles voor haar toekomstige echtgenoot overhad, had een prettig smoeltje, en ik zou liegen als ik zei dat ze niet goed was in bed. Op z’n minst een zeven op tien. Toen kwam de huwelijksdag. Voortaan zouden we door het bestaan gaan als de heer en mevrouw Brusselmans-Baeyens. Het huwelijksfeest verliep voorspoedig, al maakte een van Gerda’s ooms, oom Willy, om een uur of twee ’s nachts nogal wat heisa omdat hij geen cognac meer kreeg. M’n vader dichtte: ‘Wat is dat een stomme oom/ Z’n vader had beter gevreeën met condoom’.
Maar goed, zo’n beetje achter m’n rug om had Gerda een huwelijksreis geregeld. Ze wist dat ik niet naar verre oorden wilde en daarom had ze een autotocht naar Luxemburg op de agenda gezet. In dat kleine landje zouden we drie dagen verwijlen. Op 7 november, daags na de inwijding van ons huwelijk, begonnen we eraan. We waren nog maar pas Luik gepasseerd toen ik zei: ‘Gerda, zouden we niet beter terugkeren?’ Maar Gerda hield vol en we bereikten Diekirch, waar een eenvoudige doch doeltreffende hotelkamer op ons wachtte.
Gerda had allerlei belevenissen uitgestippeld, ondermeer een voettocht door het Diekirchse bos. Nu wilde het geval dat het enorm regende. Dus bleven we in de hotelkamer. Daar zat ik mezelf zodanig op te vreten dat ik zei: ‘Gerda, jij mag blijven als je wil, maar ik ga naar huis, als het moet met de trein.’ Omdat in een huwelijk de wil van de man vaak wet is, gaf Gerda toe en we reden als de wiedeweerga weer naar België. Als je er ‘ns bij stilstaat: een huwelijkreis, die is toch nergens voor nodig?
Amsterdam
Dat ik, dankzij m’n ouders, nooit op reis ga wil natuurlijk niet zeggen dat ik m’n huis niet uitkom. Ik ben een auteur en zo iemand moet geregeld de baan op, om z’n werk te promoten, om literaire optredens te doen, om te onderhandelen met z’n uitgever, en meer van die avonturen.
Die uitgever, Prometheus, zit in Amsterdam. Als ik met de baas, Mai Spijkers, moet onderhandelen verkies ik dat hij van Amsterdam naar m’n woonplaats Gent komt, maar soms stelt hij voor dat ik van Gent naar Amsterdam kom. Dat is dan een hele onderneming voor mij. Over Amsterdam dichtte m’n vader: ‘Kom je in Amsterdam/ Dan worden je hersens jam’. Hij bedoelt waarschijnlijk dat wie Amsterdam frequenteert zonder twijfel aan de drugs raakt en zichzelf naar de vaantjes helpt. Dat zou gerust kunnen. Ik ken iemand en die reisde geregeld naar Amsterdam, omdat hij daar een vriendinnetje had, en na twee jaar was hij compleet uitgeteld door de cocaïne, waarna zelfmoord door middel van verhanging volgde.
‘Zover zal het met mij niet komen,’ zei ik geruststellend tegen m’n vader, ‘want ik ben immers niet dol op drugs. Ik moet er altijd hevig van kakken.’ Als er iets is dat ik probeer te vermijden, is het hevig kakken, en vandaar. Nou ja, Amsterdam. Wat kan ik erover zeggen dat niet al duizend keer gezegd is? Het is een fraaie stad. Ik hou vooral van de Dam. Iedere keer als ik in Amsterdam kom trek ik een uurtje uit om de duiven op de Dam te gaan voederen. Het klinkt misschien gek, maar sommige van die duiven herkennen mij. Als ze mij zien beginnen ze te koeren.
Verder heb ik al negen keer het Anne Frank-huis bezocht. Daar contempleer ik, en prijs ik me gelukkig dat ik de infame Tweede Wereldoorlog niet heb moeten meemaken, en derhalve niet gevankelijk ben weggevoerd naar een kamp. En zo heb ik altijd wel wat te doen als ik in Amsterdam ben. Hoe schitterend ik deze stad echter vind, iedere keer weer ben ik blij dat ik ze kan verlaten, om snel terug te keren naar Gent. Daar drink ik, om bij te komen van m’n reis naar Nederland, een paar kopjes ontspannende thee. En dan naar bed.
Rotterdam
Om voor te lezen uit m’n eigen letterkundige werk ben ik wel ‘ns in Rotterdam geweest. M’n vader dichtte daaromtrent: ‘Ben je in Rotterdam/ Dan worden je poten klam’. Hij bedoelde waarschijnlijk dat je in Rotterdam zweterige handen krijgt van de schrik.
Rotterdam staat inderdaad in sommige milieus bekend als een harde, ruwe, linke stad, vol inwoners die er niks mee zouden inzitten om je bij je kraag te grijpen, je te ontdoen van portefeuille en waardevolle voorwerpen en je in de plomp te gooien, waar je verder je plan kan trekken. Daar merkte ik bij m’n bezoek aanvankelijk weinig van, tot ik werd aangesproken door een Rotterdammer, die vroeg: ‘Wil je een dreun tegen je kop?’ Het was een kwestie van kalm te blijven. Wat deze jongen niet wist is dat ik onderlegd ben in een paar gevechtssporten. Het had dus gekund dat ik hem met één greep om z’n mammie had laten roepen. Maar ik bleef op de vlakte en zei: ‘No comprendo.’ Je moet weten dat ik er, vanuit een bepaalde hoek bekeken, redelijk Spaans uitzie.
Dat is geen wonder; m’n overgrootvader aan moederszijde was Juan La Paz, een eenvoudige geitenboer uit Sevilla, die tijdens de grote Spaanse geitenschaarste van 1860 z’n geluk elders zocht en op die manier arriveerde in Hamme (Oost-Vlaanderen), waar er net een geitenoverschot was, zodat hij meteen goed aan z’n trekken kwam. ‘Hoezo no comprendo,’ zei de Rotterdammer, ‘jij lelijke aap. Geef me je horloge.’ Het was nu duidelijk een geval van overmacht en ik nam hem in één greep bij z’n nek. Op den duur piepte hij: ‘Mammie! Mammie!’
Ik liet ‘m na een paar minuten los en zei: ‘Caramba hijo de puta.’ Dat liet hij zich geen twee keer zeggen en hij maakte dat hij wegkwam. Verder beleefde ik in Rotterdam niks onprettigs en ik beschouw het hoe dan ook als een leuke stad, maar dat sluit geenszins uit dat ik toch liever thuis blijf dan ooit nog naar Rotterdam of naar waar dan ook af te reizen.
Blijf thuis
Ik blijf me afvragen waarom vele mensen, als ze vakantie hebben, niet gewoon thuis blijven in plaats van iedere keer op reis te gaan, vaak naar verre oorden. Is het dan zo tof in die verre oorden? Ik meen van niet. Je staat bloot aan allerlei gevaren. Er zijn bijvoorbeeld heel wat kruipdieren die schade kunnen aanrichten.
In Zuid-Afrika, de laatste jaren een vaak bezochte vakantiebestemming voor horden Europeanen, heb je de akkala, een zeer klein kruipdier dat je met het blote oog bijna niet kan waarnemen, behalve in de paartijd, dan ziet hij helder paars. Waar de akkala dol op is, dat is in het kruipen in een van de menselijke holtes en daar z’n verwoestende werk aan te vangen, namelijk het weefsel, de botten en de spieren wegknauwen, want het is een hongerig smeerlapje. Eerst voel je alleen maar wat jeuk, maar op den duur krijg je een bijna onhoudbare pijn, en tenslotte is het niet uitgesloten dat je dood neervalt.
Een ander probleem in verre oorden is het voedsel. Neem nu Mexico, met z’n veelgeprezen tortilla’s. Hoe ontelbaar zijn niet de toeristen die aan die tortilla’s een schier onbeschrijfelijke diarree hebben overgehouden? Van de tien of meer dagen die ze doorbrengen in dat land zitten ze er vijf à zeven op de pot, en naderhand zijn ze zo uitgeput dat ze niet eens hun eigen naam meer weten.
Nog iets dat je in verre oorden tot je scha en schande kan meemaken is dat je echtgenote of je vriendin verliefd wordt op een inlandse jongeling. M’n buurman Fons heeft het meegemaakt in Marokko, nog zo’n land dat in de mode is. Z’n vrouw Clémentine raakte compleet in de ban van een barman in hun hotel en ze bezwoer Fons dat hij maar alleen naar huis moest gaan want dat zij achterbleef bij Achmed. Tot Achmed haar praktisch onder haar ogen bedroog met een Nederlandse toeriste, Toos Tuttewagen uit Zaandam. Toen ging Clémentine, met een gebroken hart, toch maar terug mee met Fons naar België. En zo zou ik nog tientallen andere nadelen van verre oorden kunnen opsommen. Kortom, zoals m’n vader dichtte: ‘Ben je weg/ Dan komt de pech’.
Rome
Eén keer heb ik me laten vangen om een vliegtuigreis te ondernemen. In 1991 werkte ik mee aan een televisieprogramma dat hoge ogen gooide en een belangrijke Vlaamse mediaprijs won, waaraan een niet onaardig geldbedrag was verbonden. De producer besloot om dat geld te verteren, met de hele ploeg, aan een tripje van drie dagen naar Rome.
Ik was net gescheiden, behoorlijk aan de drank en nogal eenzaam en ik dacht: verdomd, ik ga mee. Het viel me al knap tegen in het vliegtuig. De hele tijd zat ik te hopen dat het niet zou neerstorten, en wel op zo’n paniekerige manier dat ik boven Zwitserland door twee hostessen in bedwang moest worden gehouden, of ik zou uit het vliegtuig gesprongen zijn, onder het motto: de eeuwige sneeuw op de Zwitserse bergtoppen zal m’n val misschien breken. Op den duur kwamen we veilig aan in Rome. Het eerste wat opviel was dat de regen met bakken naar beneden stroomde. Voor 1991 was ik ervan overtuigd dat het in Italië altijd lekker weer is maar sinds dat jaar ben ik overtuigd van het tegendeel. Het was ook nog ‘ns erg koud en dat bij God in augustus.
We gingen naar ons hotel, Da Gianni. Op m’n kamer vroeg ik aan de roomservice om een fles whisky en dan met name een fles J&B. Die bleken ze niet in huis te hebben. Daar zou je toch wat van krijgen? J&B is een wereldomvattend merk maar in Rome vertikken ze het om het in te slaan. Redelijk pissig ging ik met de rest van de groep mee op ontdekkingstocht. We bezochten onder meer het Collosseum, allemaal onder een paraplu. Ik vond er niks aan. Een hoop ouwe stenen die in een willekeurige volgorde op elkaar gestapeld lagen, waarbij het niet ondenkbaar leek dat het hele bouwsel in elkaar zou pleuren bovenop je kop.
Vervolgens de Trevi-fontein. Als je daar achterwaarts een muntje in gooit mag je een wens doen. Ik gooide er over m’n schouder vijf frank in en wenste: breng me asjeblief weer naar huis. Drie dagen later, na een terugreis met het vliegtuig die me nog meer angst kostte dan tijdens de heenreis, was het zover. Eindelijk weer in Gent! In de woorden van m’n vader: ‘Blijf in Gent/ Waar je immer veilig bent’. Sindsdien kan Rome m’n rug op.
De lichtstad
Ik ben één keer naar Parijs geweest, de zogenaamde lichtstad. Nochtans was het donker toen ik daar aankwam. Ik was met de trein gereisd. Onderweg gebeurde er niks spectaculairs, hoewel een vrouw die in m’n coupé zat plotseling weeën kreeg. ‘Persen!’ riep ik. ‘Persen, madame!’ Maar de weeën gingen over. Geen wonder, want ze was nog maar zes maanden zwanger. Dat vertelde ze mij. Ze vertelde ook dat haar echtgenoot een Duitser was. M’n vader dichtte hieromtrent: ‘Is je echtgenoot een mof/ Dan wordt je huwelijk voorwaar een sof’. Ik vertelde haar dat ik net gescheiden was van m’n vrouw Gerda. Dat was ook zo. En omdat ik gescheiden was mocht ik me bezighouden met andere vrouwen. Nou, een van die vrouwen had een korte vakantie in Parijs en ze had me gebeld of ik haar niet een avondje en een nachtje gezelschap kwam houden. Vandaar m’n reis naar de Franse hoofdstad.
Eenmaal gearriveerd stapte ik naar een taxi. Ik moest naar het hotel Le Coucoulou, waar Charlotte, zoals ze heette, onderdak had gevonden. ‘C’est dans la rue Postiche’, zei ik tegen de chauffeur. Ik had ooit een cursus Frans voor Gevorderden gevolgd, en daar waren toch een paar zinssneden van blijven hangen. Hij vroeg me, eveneens in het Frans, of ik in Parijs was voor zaken of voor m’n plezier. ‘Voor zaken’, loog ik, ‘ik heb een vergadering met Louis Vuitton om een deel van z’n handel over te nemen.’ Liegen is toch iets prachtigs?
We kwamen aan bij het hotel. De receptionist bracht me ervan op de hoogte welk kamernummer Charlotte had en ik nam de lift naar de zesde verdieping. Ik klopte op de deur van kamer 612. Charlotte deed open. Ze droeg niks anders dan een babydoll. We bedreven in de gauwte de liefde. Daarna zou Charlotte me Parijs bij nacht laten zien, met al z’n fantastische plekjes. Het viel me nogal tegen. Oké, het Centre Pompidou is geen mis gebouw, maar om nou te zeggen dat je het per se moet gezien hebben, welneen. Hetzelfde voor de rest van Parijs. Het hoeft geen betoog dat ik de volgende dag, na nog een keer in de gauwte de liefde te hebben bedreven met Charlotte, weer afreisde naar Gent. Sindsdien ben ik niet meer in Parijs geweest, en terecht.
Huwelijksreis 2
Op 29 juli 2005 ben ik voor de tweede keer getrouwd, nu met m’n grote liefde Tania de Metsenaere. We waren al veertien jaar samen en Tania wilde met hart en ziel trouwen. Ik had jaren tegengesputterd, met als argument: m’n eerste huwelijk is mislukt, dat wil ik met een tweede niet ook laten gebeuren. Tania bleef me echter verzekeren dat ze heel, héél graag m’n wettelijke echtgenote zou worden en op den duur kon ik niet anders dan toegeven aan de smeekbede van de lieve schat. Aldus stapte ik voor de tweede keer in het huwelijksbootje.
Het was een fantastisch feest. Vrienden, familieleden en kennissen vierden mee. Iedereen amuseerde zich kostelijk, en een van de vierders, m’n oom Achiel, gaf over in de plantenbak omdat hij teveel bitterballen had gegeten, in combinatie met anderhalve fles cognac. M’n vader dichtte hieromtrent: ‘Van al te veel cognac/ Zit je snel in as en zak’. Zelf drink ik al jaren niet meer en ook Tania is een matig innemer, dus de volgende dag waren we fris als hoentjes. Dat kwam goed uit, want het was hoog tijd om op huwelijksreis te vertrekken.
Tania deed dit in haar eentje, omdat ik niet meeging. Zoals men weet of niet weet ben ik niet zo’n reiziger, plus m’n eerste huwelijksreis was ook niet echt een topper geworden. Zodoende vertrok Tania voor een weekje naar Italië, haar lievelingsland. Om de twee dagen eet ze pasta, ze is dol op de muziek van Umberto Tozzi, en vindt een Benelli een erg mooie motorfiets, dus daar moet verder geen tekening bij.
Ik kreeg verschillende reacties die neerkwamen op: ‘Ben jij niet beschaamd dat je je vrouw alleen op huwelijksreis laat gaan?’ Waarom zou ik daar beschaamd voor zijn? Zij gaat graag op reis, en ik niet, dus waar zit het probleem? Daarbij: een weekje gescheiden zijn van elkaar, dat doet ieder huwelijk deugd.
Gedurende die week kwam ik m’n huis praktisch niet uit en vol ongeduld wachtte ik op Tania’s terugkeer. Daar was ze dan eindelijk! ‘Schat,’ zei ze, ‘ik heb een fantastische huwelijksreis gehad!’ ‘Zoveel te beter, lieveling,’ zei ik, en ik klemde haar in m’n armen. Vervolgens bereidde ze een warme maaltijd voor mij en het leven van alledag als gelukkig getrouwde mensen kon een aanvang nemen.
Gedachtenreis
Hoewel ik nooit op reis ga, doe ik het soms wel in gedachten. Dan zit ik wat voor me uit te suffen en stel ik me in m’n geest voor hoe ik dolle avonturen beleef in den vreemde. M’n favoriete gedachtenreis is die van het oosten naar het westen van de Verenigde Staten, via Route 66, rijdend op m’n motor, de woeste Buell X1 Lightning 1200 cc. Ik vertrek in New York, waar ik eerst nog een belangrijke meeting heb gehad in verband met de Amerikaanse uitgave van m’n recente roman, De Perfecte Koppijn. M’n Amerikaanse uitgever, John Macmillan, voorspelt dat er minstens 1.000.000 exemplaren van m’n boek zullen verkocht worden. Dat zijn prettige vooruitzichten, en geheel ontspannen bestijg ik m’n motor om aan de vele duizenden kilometers te beginnen.
Na honderdtwintig van die kilometers is m’n tank praktisch leeg en moet ik benzine inslaan. Dat doe ik bij een rustiek tankstationnetje, waar de wereld lijkt stil te staan. Eerst tank ik m’n machine vol en dan ga ik iets eten in het bijhorende restaurantje. Ik bestel pannenkoeken, worst, eieren en als toetje een grote punt aalbessentaart. De dienster, een lekkere blondine met een aanzienlijke buste, vraagt mij: ‘Kom je van verre?’ In m’n behoorlijke Engels zeg ik: ‘Dat kan je wel zeggen, darling, ik ben helemaal uit België over komen vliegen, samen met m’n Buell, en nu zal ik heel jullie prachtige land op m’n twee wielen doorkruisen.’
'Mag ik met je mee?’ vraagt Charlene, want dat is immers haar naam. ‘Doe gerust,’ zeg ik. Ze heeft per toeval een helm achter de bar liggen, die ze op haar hoofd zet, en dan kruipt ze op de duozit van m’n motor. Om even te tonen wat een macho ik ben vertrek ik met zo’n duizelingwekkende acceleratie dat Charlene, die zich niet al te stevig aan me heeft vastgeklemd, van de duozit valt en tegen het asfalt stuitert. Ze ademt nog slechts ternauwernood. Op dat moment breek ik m’n gedachtenreis meestal af.
M’n vader dichtte: ‘Wil je je slechte gedachten kwijt/ Keer dan terug naar de werkelijkheid’. En in die werkelijkheid rijd ik met m’n Buell van Gent-Oost naar Gent-Zuid en weer terug, een tripje van 12 kilometer. Onderweg denk ik nergens aan.
Vakantie
Vele mensen vragen mij: ‘Als je nooit op reis gaat, wat doe je dan tijdens de vakantie?’ Welnu, ten eerste neem ik per jaar hooguit een weekje vakantie, en ten tweede, dat weekje vullen, dat lukt me thuis wonderwel. Zo slaap ik veel. Wel veertien uur per dag, met op de koop toe vaak een verkwikkend dutje tussen acht en tien uur ’s avonds, terwijl m’n vrouw een boek zit te lezen, naar de televisie kijkt of een warme trui breit, want het mag dan wel zomer zijn, binnenkort komt de winter er weer aan. M’n vader dichtte eromtrent: ‘Probeer nooit de toekomst te vermijden/ Voor je het weet komen de andere tijden’.
Als ik niet slaap, dan ontspan ik me op allerlei manieren die weinig geld kosten, die me nooit ver van huis brengen en die ik heel alleen kan doen, ofwel slechts geassisteerd door m’n geliefde echtgenote Tania de Metsenaere. Terwijl ik de rozenstruik onderhoud, wiedt zij het onkruid. Terwijl ik de muren van de woonkamer schilder, beitst zij de plinten in de slaapkamer. Terwijl ik met m’n hond ga wandelen, gaat zij met ons mee. Ach, wat is het leven simpel, ook als je weinig of niks omhanden hebt. Ik hoef helemaal nergens heen om m’n geest te verzachten. Ik kan terplaatse trappelen terwijl ik de stress van me afgooi. Ik kan languit en met m’n ogen wijdopengesperd de hele wereld omvatten. En als het regent, blijf ik binnen en als de zon schijnt ga ik naar buiten, en middenin m’n tuin staar ik naar de heldere blauwe hemel, en ik bedenk dat die hemel overal dezelfde is, van het oosten naar het westen, van het noorden naar het zuiden, en op alle plaatsen daartussenin.
M’n vrouw komt samen met mij naar die hemel staren, en ze zegt: ‘Ooit wil ik daar voor eeuwig samen met jou zijn.’ Ik zeg: ‘Tot het zover is wil ik samen met jou eeuwig hier zijn.’ Daar drinken we eentje op. Tania een glaasje koele witte wijn, ik een glaasje alcoholloze Ricard met drie ijsblokken. En zo vliegt de vakantie voorbij, en daarna begin ik aan een nieuwe roman, waarin ik voor de zoveelste keer wil vastleggen dat het leven nergens beter geleefd kan worden dan waar je bent, en eeuwig wil zijn.




