Wereld verbetert niet door richtlijnen braaf toe te passen
Er gaapt een kloof tussen wetenschap en ggz-praktijk. In de praktijk vallen de effecten van nieuwe evidence based richtlijnen flink tegen. In zijn oratie pleit hoogleraar geestelijke gezondheidszorg Giel Hutschemaekers voor mediators die bruggen kunnen slaan tussen wetenschap en praktijk.
‘Wetten in de weg en praktische bezwaren’, luidt de veelzeggende titel van de oratie die Giel Hutschemaekers donderdag 17 december uitspreekt. Hij is hoogleraar geestelijke gezondheidszorg aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. In zijn oratie wijst hij nadrukkelijk op de kloof die bestaat tussen wetenschappelijk onderzoek en de ggz-praktijk van alledag.
Praktijk is weerbarstig
‘Die kloof is groot’, zegt Hutschemaekers. ‘Dankzij de wetenschap zijn er intussen heel wat richtlijnen en best practices tot stand gekomen. Maar keer op keer moeten we constateren dat een richtlijn in de praktijk heel wat anders doet dan onderzoekers ervan hadden verwacht. Veel interventies die in een experimentele, gecontroleerde setting heel goed werken, blijken in de praktijk van alledag aan kracht te verliezen.’
Volgens Hutschemaekers is dat is het gevolg van allerlei storende factoren: wachtlijsten of behandelaren die zich niet aan de protocollen houden, of cliënten die afhaken. Allemaal factoren die in een klinische onderzoeksopzet geen rol spelen, maar die in de praktijk juist allesbepalend kunnen zijn. De hoogleraar wijst in dit verband ook op de frictie die in de praktijk kan ontstaan tussen de diverse richtlijnen onderling. Ook deze interactie ondermijnt het effect van de richtlijnen afzonderlijk.
Van de regen in de drup
Hutschemaekers belicht in zijn oratie de andere kant van het werken met richtlijnen in de ggz. ‘Richtlijnen zijn in de regel gerelateerd aan een specifieke stoornis en daarmee geschikt voor patiënten die binnen het plaatje van die stoornis passen. Maar daarmee dreigt degene die niet in dat plaatje past buiten de boot te vallen.
Hutschemaekers: ‘Neem de geprotocolleerde zorg voor vrouwen met borstkanker, waarbij binnen een dag een diagnose wordt gesteld en de behandeling in gang gezet. Vrouwen die inderdaad borstkanker hebben, worden zo uitstekend geholpen. Maar vrouwen met vage of andere klachten vallen daarbuiten. En voor hen is minder aandacht en capaciteit beschikbaar, zij komen van de regen in de drup.’
Beter af bij huisarts
Eenzelfde verhaal kan opgaan voor een richtlijn angst, een richtlijn depressie, of een richtlijn psychose. Mensen die aan vier van de vijf omschreven klachten van angst voldoen, kunnen prima worden geholpen via deze richtlijn. Maar degenen die bijvoorbeeld maar aan drie kenmerken voldoen, of die naast angst met allerlei andere klachten kampen, hebben een probleem. In de dagelijkse praktijk kunnen zij zelfs slechter af zijn.
Op dergelijke momenten bewijst zich de waarde van de huisarts. Die werkt in de praktijk veel minder volgens richtlijnen dan in de tweede lijn het geval is. En die generalistische aanpak blijkt juist te werken voor de patiënten die niet netjes in een bepaalde diagnose zijn in te passen.
Mediator
Volgens Hutschemaekers zijn richtlijnen nuttig, zeker als ze goed worden toegepast. Maar tegelijkertijd waarschuwt hij voor te grote naïviteit. ‘De wereld wordt echt niet beter door braaf alsmaar richtlijnen toe te passen’, zegt hij. Hutschemaekers pleit daarom voor de komst van mediators, die de kloof tussen wetenschap en praktijk moeten zien te overbruggen. Doel is een betere en effectievere zorg. (SvD)
©Psy, 16-12-09







