Vermijd al te stellige diagnoses
Een voorzichtige aanduiding van wat er aan de hand zou kunnen zijn, vormt voor patiënten met een psychische stoornis een betere basis voor behandeling dan een stellige diagnose. Die conclusie trekt Arjen Noordhof uit onderzoek waarop hij woensdag 3 februari in Groningen promoveerde.
De tegenwoordig in Amsterdam werkende psycholoog Noordhof constateert dat er voor psychische stoornissen geen ‘gouden standaard’ bestaat.
Noordhof: ‘De DSM-IV wekt de indruk dat er verschillende psychische stoornissen zijn met specifiek daarbij horende symptomen, maar het is de vraag of die indeling recht doet aan de veel genuanceerdere werkelijkheid. Volgens de DSM-IV heeft iemand bijvoorbeeld of major depressive disorder of generalized anxiety disorder, maar onduidelijk is of het hier echt om twee verschillende stoornissen gaat.
Verschillende dimensies
Als een goede oplossing voor dit probleem ziet Noordhof het gebruik van een ‘dimensionele’ schaal om stoornissen te beschrijven. ‘Bij die aanpak, die waarschijnlijk in de DSM-V een plaats zal krijgen, wordt gekeken hoe patiënten scoren op verschillende dimensies. Dat betekent dat voor wat nu simpelweg persoonlijkheidsstoornissen heten, scores op een aantal persoonlijkheidstrekken in de plaats komen. Iemand kan dan bijvoorbeeld hoog depressief zijn, behoorlijk teruggetrokken en matig agressief. Mensen worden dus niet meer in één categorie persoonlijkheidsstoornis geplaatst, maar krijgen per persoonlijkheidstrek een bepaalde rating.
Niet krampachtig gladstrijken
Maar ook als deze manier van beoordelen wordt gehanteerd, is het mogelijk dat de verschillende informanten tot zeer tegenstrijdige oordelen komen over de genoemde persoonlijkheidskenmerken.
In zijn onderzoek heeft Noordhof geprobeerd om statistische methoden te ontwikkelen om de verschillende rapportages onder één noemer te brengen. Dat is echter niet goed gelukt. Vandaar zijn aanbeveling om de verschillen in de vaak tegenstrijdige rapportages van artsen, ouders en eventueel leraren niet krampachtig ‘glad te strijken’ om zo tot één alles omvattende diagnose te komen.
Voorzichtige aanduiding
‘Mijn conclusie is dat er twee redenen kunnen zijn waarom de rapportages van informanten niet overeen komen. Het is denkbaar dat de informanten hetzelfde hebben gemeten, maar dat hun metingen onbetrouwbaar zijn omdat bij het toekennen van scores brede marges kunnen optreden. Maar het kan ook zijn dat zij verschillende dingen hebben gemeten. Dan zou je moeten nagaan hoe dat komt.’
‘Hoe het ook zij, ik denk dat patiënten er baat bij hebben dat zulke verschillen zichtbaar worden. Zij - en hun behandelaars - hebben waarschijnlijk meer aan een voorzichtige aanduiding van wat er aan de hand zou kunnen zijn dan aan een stellige diagnose, waarvan maar de vraag is in hoeverre die de lading dekt.’ (EH)
Lees hier de samenvatting van het onderzoek van Arjen Noordhof
© 08-02-2010








