ColumnArchief
Jan Hoek
Depri-love
Mopperend over de macaronischotel zo vies als ze je alleen maar op schoolreisje durven voorschotelen, ruimen we onze borden af. We smokkelen een fles door de leraren gekochte wijn mee en verzamelen ons ergens in de buitenlucht. Ik ben inmiddels 25, maar zodra je op schoolreisje gaat voel je je direct weer zestien.
En als echte zestienjarigen, praten we al snel over zoenen, seks en liefde. 'Op wat voor type vallen jullie?', vraagt een meisje gekleed in een fleecedeken en regenlaarsjes. Het antwoord op deze vraag verraadt dat we toch wat ouder zijn geworden: 'Ik val uitsluitend op depressievelingen', zegt iemand. Ze is niet de enige. Nadat we het rondje zijn afgegaan, blijkt driekwart van de gehele groep een voorliefde te hebben voor de chronisch minder vrolijke medemens. 'Ik heb het echt geprobeerd om met iemand te gaan die wel vrolijk was. De laatste keer was met een jongen die zodra hij uit bed stapte om koffie te zetten, Frans Bauer-liedjes begon te neuriën. Ik werd daar doodnerveus van. Gelukkige mensen zijn zo niet sexy.' De groep knikt instemmend. Ik ook.
Op de een of andere manier gaat er een enorme aantrekkingskracht uit van mensen die een diep duister geheim met zich mee lijken te dragen. Bij dit soort mensen denk je nog iets te winnen te hebben. Want hoe romantisch is het dat diegene die alles kut vindt in het leven, er langzaam achter komt dat jij diegene bent die ervoor zorgt dat al die andere ellendige dingen weer draagbaar worden?
Laatst was op de televisie ook zo'n type te zien. Een jongen van zestien die door iedereen aanbeden werd, maar zelf zwaar depressief was. Alle meisjes wilden hem en al zijn makkers vertelden in de camera hoe jaloers ze op hem waren. Ik was het ook direct. Wat moet het fijn zijn om hem te zijn. Om zonder er ook maar moeite voor te doen iedereens hart te stelen. Maar ik was een ding vergeten: als je depressief bent, kan je daar niet van genieten.
Een minuut later werd dat me pijnlijk duidelijk toen ik erachter kwam dat ik keek naar BNN's thema-avond over zelfmoord. Dan toch maar liever niemand verliefd op mij.
Maarten van Buuren
Hoogleraar moderne Franse Letterkunde en auteur van het boek Kikker gaat fietsen
Te laat
Mira’s boezemvriendin is zwanger. Het is de vervulling van een lang gekoesterde wens. Eva is gelukkig. Haar vriend is dat ook, hoewel niet zo juichend als Eva, begrijp ik. Ze gaan niet samenwonen, maar hun kind wel samen opvoeden.
Eva moest verleden week beslissen of ze een proef laat doen waaruit kan worden opgemaakt of haar kind misschien ernstige gebreken heeft, met name het syndroom van down. Ze heeft dat geweigerd. ‘Het kind is een deel van mij’, zegt ze. ‘Ik zal het met liefde omringen, ook als het een mongooltje blijkt te zijn.’
Mira is het volmondig met haar eens. ‘Je moet de natuur zijn werk laten gaan. Beslissingen mag je niet uit handen geven aan de techniek. Toch?’, zegt ze tegen me terwijl we gezellig bij de Italiaan zitten te eten.
‘Tja,’ zeg ik, ‘Ik ben niet radicaal tegen dergelijke proeven. Ze zijn er om te voorkomen dat er dingen gebeuren die we niet willen. Vroeger waren we overgeleverd aan de natuur. Tegenwoordig hebben we de keus. Jij gebruikt toch ook de pil?’
‘Maar als je van tevoren weet dat je het kind houdt, heeft het geen zin om een proef te laten doen.’
‘Dus laat je zo’n proef alleen doen als je bereid bent de consequenties te nemen.’
‘En die consequenties zijn?’
‘Abortus, lijkt me.’
‘Dus als ik in verwachting zou zijn, zou jij willen dat ik de proef deed en in geval van een negatieve uitslag het kind laten weghalen?’
‘Als het aan mij lag wel, want ik vind het al bijna onverantwoord om een gezond kind op de wereld te zetten, laat staan een gehandicapt kind. Maar de beslissing ligt niet bij mij. Jij beslist en jouw beslissing zou ik respecteren.’
‘Maar als ik in verwachting zou raken en een mongooltje zou krijgen, zou je het me kwalijk nemen.’
‘Ik zou het je niet kwalijk nemen en het kind samen met jou in liefde opvoeden, maar ik zou er misschien moeite mee hebben, omdat we de keus hadden.’
Er staan tranen in Mira’s ogen. Ze zegt dat ik kil en neerbuigend ben. ‘Laten we ons niet verliezen in negatieve gedachten’, zeg ik in een poging de stemming te redden. ‘Het belangrijkste is dat Eva in verwachting is en je zult zien dat ze een stralende baby krijgt.’ Maar het is te laat. Na de film zegt Mira dat ze me een tijdje niet wil zien. Ze wil nadenken over onze relatie. Aan het eind van de maand neemt ze contact met me op.
Carice de Wildt
Structuur
Eigenlijk vond ik het maar een dwangmatig trekje van mijn collega. Iedere ochtend om 10 uur weer die ontbijtkoek. Stipt twee uur later komen de volkorenboterhammen uit een plastic trommeltje tevoorschijn en om drie uur een glanzende appel. Toch keek ik af en toe jaloers naar haar slanke figuur en ik vroeg me af waarom ik mijn bonuskilo’s, die zich na het starten met antipsychotica op mijn mollige lijf hadden genesteld, niet van mijn heupen af kon krijgen. Gedachteloos beet ik in een chocoladekoekje, waar tot mijn grote schrik 100 calorieën in zaten.
Mijn leven lang roep ik dat ik geen behoefte heb aan orde en regelmaat. Voor mij staat deze levensstijl gelijk aan saai burgerschap en bekrompenheid. Een avondje stappen is volgens structuurliefhebbers al een vorm van living on the edge... Ik eet gewoon wanneer ik honger heb en laat me graag leiden door mijn impulsen. Een ijsje? Lekker! Chocolademousse tussen de middag? Waarom niet! Mijn medicatie een keer te laat innemen ’s avonds? Kan gebeuren. Dat ik dan ’s ochtends bijna van mijn fiets val door de bijwerkingen van mijn pillen, laat ik rustig over me heen komen.
Maar ineens besloot ik dat het genoeg was. Familie, vrienden en psychiaters hadden zich er allang bij neergelegd dat ik niet gevoelig was voor dingen die ‘moeten’. Er was niemand meer die zich met mijn impulsieve bestaan bemoeide en daarom besloot ik stiekem mee te gaan in de structuur van de, in mijn ogen, autistische collega.
Ik voelde me vrij om er mee te experimenteren en kocht een groot stuk ontbijtkoek. Om klokslag tien uur haalde ik de gezonde lekkernij tevoorschijn. Geen impulsieve tussendoortjes meer voor mij. Keurig sneed ik er slechts 1 stukje koek af en besmeerde dit met verantwoorde boter. De grote stukken chocola waar ik het middagprogramma en mijn maag mee vulde, liet ik achteloos in de schappen van de supermarkt achter.
Na een paar weken lachte de weegschaal me vriendelijk toe. Zes pillen- en chocoladekilo’s minder en nog steeds had ik niet het gevoel dat ik saai was. Tegenwoordig eet ik rond de klok van drie een stuk fruit en verheug me erop.
Binnenkort start ik een nieuw project. Niemand zeurt er nog over dat ik dagelijks enkele sigaretten opsteek en daarom wordt het nu tijd om te stoppen met roken. Misschien kan ik mijn autistische collega om raad vragen.
Jan Hoek
Mijn psycholoog
Mijn psycholoog is zo erg een psycholoog dat ik er nooit een seconde over nagedacht heb dat hij ook nog mens is. Als ik hem ontspannen met de benen over elkaar geslagen in zijn praktijk zie zitten, notitieboekje op zijn schoot, behoedzaam een puntje aan zijn snor draaiend, dan is het niet voor te stellen dat hij ooit iets anders is dan dat. En het irriteert me. Want terwijl ik daar de meest duistere uithoekjes van mijn ziel aan hem blootstel, blijft hij één blok ongenaakbare rust.
Wat je ook zegt - slaapproblemen, blijf bang dat ik ziek word, niemand wordt ooit verliefd op mij, ik heb de behoefte kleine hondjes in reepjes te snijden en er origamikunstwerken van te maken - hij heeft altijd een drie-stappenplan binnen handbereik. Nooit kijkt hij van iets op. Nooit lijkt er iets te zijn waarmee hij zelf geen raad weet.
Maar laatst had ik hem. Ik was iets te vroeg en toen ik de praktijk in liep, hoorde ik een geluid dat ik nooit eerder had gehoord: mijn psycholoog in stemverheffing. ‘Het kan me niks schelen dat je nu nog steeds ongelukkig bent, want als je niet betaalt dan haal ik mijn advocaat erbij!’ Ik snelde door de gangen in de hoop nog een laatste beetje mens in mijn psycholoog te kunnen meemaken. Net te laat, de telefoon werd weggestopt, ik kreeg een keurig handje. ‘Als je hier even gaat zitten, ben ik zo bij je terug.’
Maar toch was deze sessie anders dan alle anderen. Want terwijl ik praatte, was ik extra alert. Lette hij wel op, of was hij toch van slag door dit incident? Is dat zweet dat langs zijn slaap naar beneden sijpelt? Gaat hij het hier met mijn zijn vrouw over hebben vanavond? Ik was extra alert, maar vooral extra alert op hem. Want terwijl ik hem nauwlettend in de gaten hield, vergat ik steeds waar we het over hadden, beantwoorde ik ‘waarom’-vragen met ‘ja’.
Aan het einde van de sessie, wist ik dan misschien wel dat mijn psycholoog ook maar een mens is, maar was dat ook het enige wat tot me was doorgedrongen. Mens zijn, dat kunnen psychologen toch echt beter aan ons overlaten.
Maarten van Buuren
Hoogleraar moderne Franse Letterkunde en auteur van het boek Kikker gaat fietsen
Mira’s mojo
Sinds januari gebruikt Mira Seroxat. Ze heeft het gebruik van medicijnen zo lang mogelijk uitgesteld, maar haar stemmingen schoten alle kanten uit. Niet moeilijk doen, naar de arts en antidepressiva vragen, het spul is er tenslotte voor.
De Seroxat heeft het gewenste effect. We genieten van een gelijkmatigheid die weldadig is na de achtbaan waar we maandenlang in hebben gezeten. Maar er is een nadeel. Mira is haar mojo kwijt. En hoewel ze altijd heeft beweerd dat ze de afronding van het vrijen beschouwt als een kers op de taart waar ze zonder zou kunnen, blijkt dat anders te liggen nu er geen kersen meer voorhanden zijn.
Onder normale omstandigheden lijkt het of Mira tijdens het vrijen op een helling wordt gezet. Ze trapt uit alle macht op de rem om te voorkomen dat ze klaarkomt, verliest zo nu en dan de macht over het stuur, stort, over haar hele lichaam kleine druppeltjes transpiratie loslatend, naar beneden, komt boven, schuift over de top heen, komt op een volgend helling terecht waarop ze probeert om, met gefronste wenkbrauwen en ogen die ze vergeefs richt op een plek achter me, te verhinderen dat ze opnieuw naar beneden glijdt. Mira is een wonder.
‘We doen het ermee’, heeft Mira gezegd toen we beseften wat de consequenties waren van Seroxat. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Mira probeert te genieten van wat er is en niet te denken aan wat er was, maar onwillekeurig probeert ze terug te vinden wat nét buiten haar bereik ligt.
‘Waarom ga je niet naar je huisarts en vraagt haar om een ander middel, bijvoorbeeld Remeron, waarvan ik me meen te herinneren dat het geen of minder bijwerking heeft?’ Maar ze ziet op tegen het consult, tegen de lange periode van uitwenning van het ene medicijn en inwenning van het andere met alle bijkomende narigheid (duizeligheid, evenwichtstoornissen) van dien. En dus ‘doen we het ermee’.
Verleden week werd het haar te veel. Ze zakt weg, voelt zich diep ongelukkig, de communicatie tussen ons stokt. Mira vindt dat ik dit probleem moet oplossen. Maar ik kan haar alleen aanraden de arts om andere antidepressiva te vragen. Als ik meer doe, bijvoorbeeld zeggen dat ze moet overstappen op Remeron, of dat ze een tijdje geen antidepressiva moet gebruiken, of dat ze Seroxat moet blijven gebruiken en tevreden moet zijn met een droge boterham, neem ik beslissingen waarvan ik vind dat alleen Mira die mag nemen.




