17 mei 2012

Crimineel stigma kleeft aan mensen met psychische stoornis

Het gevaar van een crimineel stigma is groot voor mensen met een psychiatrische diagnose, stelt hoogleraar forensische psychologie Jan Hendriks in zijn oratie aan de VU.

prof. dr. Jan Hendriks

Veel gedetineerden en uiteraard ook tbs-gestelden en cliënten in de forensische psychiatrie dragen een psychiatrische diagnose met zich mee. Maar dat betekent niet dat er een directe relatie is tussen crimineel gedrag en een psychische stoornis, zegt bijzonder hoogleraar forensische psychologie Jan Hendriks in zijn oratie Wie Joost weet, mag het zeggen. Die relatie wordt echter wel vaak gelegd. Mensen met onder meer adhd en autisme spectrumstoornissen worden daardoor opgezadeld met een levensgroot stigma.

Kleine groep
Maar volgens Hendriks wordt slechts een gering aantal misdrijven uiteindelijk opgelost. Een op de twaalf geweldsverdachten verschijnt voor de rechter. Bij vermogensdelicten komt niet meer dan een op de twintig verdachten voor de rechters. Met andere woorden: er zijn dus maar weinig delictplegers bekend.
Slechts een klein deel van deze verdachten ondergaat een persoonlijkheidsonderzoek. Dat in deze kleine selectieve groep meer mensen met psychische stoornissen zitten, zegt niet per se iets over een eventuele relatie tussen crimineel gedrag en psychische stoornis.

Onhandig opereren
Hendriks: ‘We kunnen ze niet op voorhand als risicogroep aanmerken voor het plegen van criminele feiten. Het is in ieder geval zo dat mensen met een stoornis als adhd en pdd-nos en mensen met intellectuele beperkingen simpelweg onhandiger zopereren als ze crimineel gedrag vertonen. Daardoor worden ze eerder worden opgepakt dan de grotere groep criminelen die waarschijnlijk geen stoornis heeft.’

Risico te hoog ingeschat
De forensische psychiatrie werkt met veroordeelden die vaak kampen met een psychische stoornis. Dit forensische veld is voortdurend in beweging, stelt Hendriks, die tevens wijst op de grote politieke aandacht voor recidives. Daarom is het goed dat de risico-taxaties de afgelopen jaren sterk zijn verbeterd. Maar de uitkomsten van die risicotaxaties mogen niet te absoluut worden genomen, betoogt Hendriks. ‘Ik heb meegemaakt dat rechters een risicotaxatie als vaststaand gegeven accepteren en daardoor langere straffen en tbs opleggen. Regelmatig wordt het risico te hoog ingeschat. Veel mensen plegen helemaal geen recidive, terwijl de inschatting was dat bij hen het risico wel groot was.’

Korter behandelen
Hendriks toont zich een voorstander van een kortere tbs-duur. ‘De gemiddelde duur ligt nu op bijna negen jaar. Dan zie je dat mensen na vele jaren van straf en behandeling terugkeren in een maatschappij die ze helemaal niet meer kennen. Ik betwijfel het nut van een zeer langdurige behandeling, zeker als het patiënten betreft die ooit uit impuls een delict hebben gepleegd.’

Op elkaar uitgekeken
‘Patiënt en behandelaar zijn na verloop van tijd op elkaar uitgekeken. Dat geeft motivatieproblemen bij de patiënt en de behandelaar weet dan ook niet meer wat hij nog kan doen.’
Hendriks waarschuwt bovendien voor geprotocolleerde behandeling van tbs-gestelden. Op zich een vooruitgang, ‘maar we moeten ons ook weer niet blindstaren op strakke behandelprogramma’s en protocollen’, zegt Hendriks. ‘We moeten oppassen dat de forensische zorg niet doorslaat in het afdraaien van zogenaamde evidence based programma’s. Want het bewijs dat een bepaald programma ook echt werkt, is lang niet altijd aanwezig.’

Hendriks wijst daarbij op het belang van de relatie tussen de behandelaar en patiënt. ‘De kwaliteit van die relatie mogen we niet onderschatten. Een goede relatie heeft positief effect op het resultaat, los van protocollen. Ik pleit dus voor een goed evenwicht tussen protocollair werken en aandacht voor de individuele relatie tussen behandelaar en cliënt.’ (SvD)

Jan Hendriks hield zijn inaugurele rede op 11 november aan de Vrije Universiteit.

©Psy, 06-12-2010