Forensische zorg moet oppassen voor bedrijfsblindheid
Binnen de tbs en de forensische psychiatrie moet men met een open blik kijken naar elkaars werk en oordeel. Dat komt de behandeling van de patiënt ten goede. Dat betoogt bijzonder hoogleraar forensische psychiatrie Ko Hummelen in zijn oratie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Werken in een tbs-kliniek of in een forensisch psychiatrische afdeling van een ggz-instelling leidt onherroepelijk tot blikvernauwing. ‘Daar ontkom je niet aan’, zegt hoogleraar Ko Hummelen. ‘Het zijn immers gesloten settingen. Er wordt niet slecht gewerkt, maar je ziet een interne gerichtheid die zich uit in een soort bedrijfsblindheid. De realiteit met de eisen die de maatschappij stelt, raakt dan gemakkelijk verloren. Dan gebeurt het dat patiënten behandelingen krijgen die niet goed aansluiten bij hun problematiek. Overigens gebeurt dat ook in de gewone psychiatrische afdelingen hoor.’
Onderzoek naar oordelen
Hummelen pleit in zijn oratie voor het doorbreken van ‘de interne gerichtheid’, en zoekt naar manieren om de natuurlijke blikvernauwing tegen te gaan. Op de afdeling FPA in Warnsveld, waar Hummelen zelf ook werkt, deed hij onderzoek naar de oordelen die sociotherapeuten, psychologen en psychiaters hebben over de patiënten die zij in behandeling hebben.
Risicotaxatie
Hummelen heeft de teamleden eerst scores laten invullen, zonder de invloed van het team. Deze scores werden besproken in het team, waarna een andere professional een consensusscore bepaalde. Verrassende uitkomst: sociotherapeuten en behandelaren oordelen te positief over het functioneren van patiënten. Ook schatten zij de risico’s niet goed in. In Warnsveld scoren medewerkers eerst individueel om pas daarna discussie in het team te voeren. ‘We beoordelen patiënten nu om de drie maanden. Dat levert meer discussie op met beter resultaat, zoals een meer gefundeerde risicotaxatie.’
Negatief gedrag negeren
Volgens Hummelen is het oordeel van de professional te positief omdat hij alleen kan afgaan op het gedrag dat de patiënt in de kliniek vertoont. Bovendien is een professional geneigd positief gedrag versterkt waar te nemen en negatief gedrag te negeren. ‘Dat helpt de behandeling niet’, zegt Hummelen. ‘De professional dreigt uit het oog te verliezen wat het doel is van de behandeling, waar een patiënt later naar toe gaat. Dat kan een ribw zijn, of zelfstandig wonen. In de kliniek krijgt een patiënt veel steun, maar die heeft hij niet meer als hij zelfstandiger gaat wonen. Wanneer niet doelgericht is toegewerkt naar dat vervolg, is de kans groot dat na ontslag de problemen terugkomen.’
Jaarlijks second opinion
Niet alleen binnen de kliniek moet meer sprake zijn van uitwisseling van ervaringen en observaties, ook afdelingen en klinieken onderling moeten meer in elkaars keuken kijken. Nu is het in de tbs-praktijk zo geregeld: pas wanneer een tbs-maatregel langer dan zes jaar gaat duren, worden twee externe gedragsdeskundigen ingeschakeld om een rapportage uit te brengen. Hummelen pleit er in zijn oratie voor dit jaarlijks te doen. ‘De tbs-klinieken hebben onlangs voorgesteld om na drie jaar externe deskundigen een patiënt te laten beoordelen op risico voor recidive.
Dat is al een verbetering ten opzichte van die zes jaar. Maar dan nog wordt er niet specifiek getoetst op de kwaliteit van de behandeling. Om stagnatie in de behandeling te voorkomen is het beter om ieder jaar een externe professional een second opinion te laten geven.’
Motivatie
Hummelen pleit ervoor dat er met meer onafhankelijkheid naar de behandeling wordt gekeken. ‘Iedereen vraagt me nu of hierdoor de tbs-behandeling ook korter wordt, maar dat heb ik niet onderzocht. Wel weet ik uit eigen ervaring dat patiënten het heel prettig vinden hun verhaal te kunnen doen tegenover een onafhankelijk iemand. Dat helpt ook de motivatie van de patiënt te versterken.’ En een gemotiveerde patiënt, stelt Hummelen, heeft veel meer kans van slagen dan een patiënt die de behandelaren alleen maar wantrouwt. (SvD)
©Psy 18-02-2011








