11 februari 2012

Jonge zedendelinquent heeft meestal psychiatrische stoornis

Driekwart van de jonge zedendelinquenten lijdt aan een of meer psychiatrische stoornissen. Dat blijkt uit een promotieonderzoek van Lisette ’t Hart-Kerkhoffs (VU). Recidive van zedendelicten is amper gezien bij de onderzochte groep.

Dat 75 procent van de jongens die een zedendelict hebben gepleegd een of meer psychiatrische stoornissen heeft, noemt Lisette ’t Hart-Kerkhoffs de belangrijkste uitkomst van haar onderzoek. Hiervoor heeft ze 226 jongens in de leeftijd van twaalf tot achttien jaar onderzocht. Van deze groep heeft ze bij 106 jongens een uitgebreide diagnose afgenomen.

Moeilijk te voorspellen
Jongens die een zedendelict plegen zijn onder te brengen in drie groepen: de kindmisbruikers zijn de jongens die een veel jonger kind misbruiken. Daarnaast zijn er de solisten en de groepsmisbruikers die leeftijdgenoten of oudere slachtoffers misbruiken. Het blijkt echter amper te voorspellen welke jongere opnieuw tot een zedendelict zal overgaan. De psychiatrische problemen waarmee de jongeren kampen zijn divers. Adhd en gedragsstoornissen komen relatief vaak voor. Ook vertonen met name de kindmisbruikers en de solisten relatief veel symptomen die wijzen op een stoornis in het autismespectrum. ‘Maar hét bewijs dat er een verband zou bestaan tussen autismeverwante stoornissen en het plegen van een zedendelict is niet geleverd’, zegt ’t Hart. ‘Daarvoor is vervolgonderzoek nodig.’

Weinig recidive
’t Hart pleit voor een gewone behandeling van deze jongeren. ‘We hebben zo weinig recidive gezien in deze groep, dat je je kunt afvragen of de behandeling zich ook expliciet op het zedendelict zou moeten richten. Ik ben ervoor gewoon de stoornis te behandelen, zonder al te veel nadruk te leggen op het zedendelict.’

Meer behandelen
Wel onderstreept ’t Hart het belang van meer betrokkenheid van de kinder- en jeugdpsychiatrie. ‘De meeste jongens die ik sprak, verbleven op dat moment in een justitiële jeugdinrichting. Het is bekend dat daar veel te weinig behandelmogelijkheden zijn.’ ’t Hart denkt dat dit deels komt door een gebrek aan geld, deels doordat de betrokken instanties niet weten dat veel jonge zedendelinquenten lijden aan een psychiatrische stoornis. ‘Daardoor gebeurt het te vaak dat deze jongeren geen behandeling krijgen.’ (SvD)

Lisette ’t Hart-Kerkhoffs promoveerde op 29 juni 2010 aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Titel: Juvenile sex offenders: mental health and reoffending.
Lees hier de complete tekst van het proefschrift.


©Psy 30-06-2010

Er staat niets over de slachtoffers. Dus of die aandacht krijgen of niet is in dit artikel niet ter zake doende, het inzicht krijgen in hoe de dader tot zijn daad komt en door welke stoornis dat zou kunnen komen echter wel. Dan kunnen ze dus een behandeling krijgen om recidieve te voorkomen.
(natuurlijk vind ik dat slachtoffers hulp moeten krijgen hoor, maar daar gaat dit artikel toch helemaal niet over!)
spuky10
za 03/07
Door hun eigen stoornis geven ze een ander er ook een.
En weer gaat er meer aandacht uit naar de dader dan naar de slachtoffers.
Syl
vr 02/07