17 mei 2012

Meer grijze hersencellen na cognitieve gedragstherapie

Als patiënten met een chronisch vermoeidheidssyndroom worden behandeld met cognitieve gedragstherapie neemt hun grijze hersenmassa toe. Dat blijkt uit onderzoek van Neurowetenschapper Floris de Lange. Zijn onderzoek werd gepubliceerd in het tijdschrift Brain.

Onderzoeker Floris de Lange

De Lange vergeleek de hersenscans van 22 patiënten die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom met hersenscans van 22 gezonde proefpersonen. Dat deed hij voor en negen maanden na cognitieve gedragstherapie, een behandeling die doorgaans wordt gebruikt om mensen van het vermoeidheidsyndroom af te helpen. De gezonde proefpersonen kregen geen cognitieve gedragstherapie.

De Lange: ‘Behalve dat we merkten dat de gedragstherapie aansloeg - mensen met het vermoeidheidssyndroom waren na de behandeling bijvoorbeeld meer actief dan daarvoor - zagen we op de hersenscans dat zij na de therapie ook meer grijze hersencellen hadden dan voor de behandeling. Maar van de gezonde proefpersonen bleef de grijze hersenmassa gelijk. Kortom, als het gedrag verandert, verandert ook het brein. De toename van de grijze hersenmassa was te zien in de prefrontale cortex, een hersengebied dat verantwoordelijk is voor het sturen van gedrag.’

Snelle denkers
‘Onze hersenen bestaan grofweg uit vloeistof, witte hersencellen en grijze hersencellen’, doceert De Lange. ‘Hersenvloeistof is de schokdemper van de hersenen en zorgt ervoor dat de afvalstoffen uit onze hersenen worden weggevoerd, witte hersencellen zorgen voor de noodzakelijke verbindingen tussen de grijze hersencellen en in de grijze hersencellen huist min of meer onze intelligentie.’
Aangezien de hersenen van de proefpersonen na hun cognitieve gedragsbehandeling meer grijze hersenmassa bevatten, is het verleidelijk te concluderen dat de behandeling hen slimmer heeft gemaakt. ‘Dat is te kort door de bocht’, houdt De Lange af. ‘Wel ontdekten we dat ze na de cognitieve gedragsbehandeling mentaal sneller waren. Dat effect kwam aan de oppervlakte in opdrachten waarmee we hun beslissingssnelheid maten. Bij mensen die er na de therapie het meest op vooruit waren gegaan in mentale snelheid, zagen we op de hersenscans ook de grootste toename in grijze hersencellen. Maar let wel: snelle denkers zijn niet automatisch ook intelligenter.’

Ouderdom
Cognitieve gedragsbehandeling laat alleen een toename zien van de grijze hersencellen bij mensen die jonger zijn dan veertig jaar. De Lange: ‘Dat is niet gek, het brein verandert minder snel als je ouder wordt. Hersenen zijn dan minder elastisch. Bovendien is er sprake van een afname van het aantal grijze hersencellen als een functie van leeftijd. Het kan dus interessant zijn te onderzoeken of cognitieve gedragstherapie slechter aanslaat bij mensen van boven de veertig. Of misschien zou de insteek van de therapie voor hen anders moeten zijn, bijvoorbeeld meer gericht op acceptatie dan op een verandering.’ (JH)

Lees hier het volledige onderzoeksverslag van Floris de Lange.

Lees hier het artikel: Cognitieve gedragstherapie werkt goed bij vermoeidheid na kanker. 

Lees hier het artikel: Gedragstherapie effectief bij zelfbeschadiging.

Lees hier het artikel: Tijdige screening voorkomt burnout.